PLONK - Weetjes
Pets&Co Dierenboulevard Jan de Roo,  7606 HN Vincent van Goghplein 292,  Almelo NL

Waar hangt jouw vogelhuis?
Om je huisje stevig op te hangen gebruik je beide gaatjes in de achterzijde. En dat is best een secuur karweitje. Hang het huisje minstens 180 cm boven de grond. Zoek een plekje uit de (volle) zon waar de wind niet in de ingang waait, het liefst op het noordoosten. En let goed op dat er geen katten bij kunnen.

Over de bewoners...
Mezen komen graag in jouw huisje. In het voorjaar bouwen ze er hun nestje in om eieren te leggen. Ze proppen het huisje dan helemaal vol takjes, blaadjes en mos om er een lekker warm en knus kamertje van te maken. Met 8 tot 12 eieren is het er gezellig druk binnen. De jonkies krijgen kleine insecten, zaden en rupsjes te eten. Maar in het voorjaar mag je de mezen best een beetje zomervoer geven zoals pinda’s of zaden, want als de eieren uitkomen zijn rupsjes meestal moeilijk te vinden.

In de winter gebruikt de familie Mees jouw huisje als lekker warme slaapplaats. Om ze het zo aangenaam mogelijk te maken en om het huisje een beetje schoon te houden, is het aan te raden om in de herfst het huisje leeg te maken. Daarvoor heeft PLONK zo’n handig deurtje gemaakt. Met een schoon huisje en een vetbolletje in de buurt, maak je er een aangenaam winterhotelletje van.

Koolmezen en pimpelmezen lijken op elkaar, maar zijn heel makkelijk uit elkaar te houden. Koolmezen hebben een gele buik met een zwarte streep over hun borst, een wit snoetje en een donkere kruin. Pimpelmezen zijn ietsje kleiner. Zij hebben ook een dikke gele buik en een wit snoetje, maar in plaats van donkere veren hebben ze blauwe vleugels en een blauw petje op. Simpel hè?

Waar hangt jouw mussenflat?
Om je huisje stevig op te hangen gebruik je beide gaatjes in de achterzijde. En dat is best een secuur karweitje. Hang het huisje minstens 180 cm boven de grond. Zoek een plekje uit de (volle) zon waar de wind niet in de ingang waait, het liefst op het noordoosten. En let goed op dat er geen katten bij kunnen.

Over de bewoners...
De huismus is een gezellig vogeltje, je ziet ze dan ook bijna nooit alleen. In het voorjaar bouwen het mannetje en vrouwtje samen hun nestje in jouw mussenflat. Ze vliegen dan af en aan met droge grassprieten, takjes en stengels. Binnenin maken ze een dekentje van stukjes wol, pluis en stof. Een gespreid bedje dus voor de jonkies, die maar 3 gram wegen als ze uit hun ei komen. Door de insecten en zaden die papa- en mamamus ze voeren, groeien ze snel en vliegen ze al na 16 dagen uit. Jonge mussen zijn heel speels en erg leuk om naar te kijken als ze spelletjes doen.

In de winter is de mussenflat een warme slaapplaats voor de huismus. En omdat mussen graag op hetzelfde plekje blijven wonen, hoef je de flat niet per se schoon te maken in de herfst. Het is wel heel aardig om ze een beetje bij te voeren. Vetbollen, pinda’s, brood, eigenlijk lusten mussen alles. Dus klop gewoon het tafelkleed in de buurt van hun huisje uit, dan hebben ze altijd wat lekkers te eten.

Mussen hebben het de laatste jaren heel moeilijk, omdat er steeds minder (natuurlijke) plekjes zijn om nestjes te bouwen en eten te vinden zoals tarwe, gerst en haver. Daarom is het ook zo fijn dat jij de mussen een beetje helpt met dit mooie huisje en wat voer. Zo zorg jij ervoor dat er bij jou in de buurt altijd een paar huismussen vrolijk in het rond hippen, want zo heet het leuke loopje van het vogeltje.

Waar hangt jouw vlinderhuis?
Om je huisje stevig op te hangen gebruik je beide gaatjes in de achterzijde. En dat is best een secuur karweitje. Vlinders gebruiken jouw huisje als veilige schuilplaats. Zoek daarom een beschut plekje met weinig wind en waar het niet kan inregenen. De ingang kan het beste richting het oosten hangen. Hoe hoog je ‘m hangt maakt niet zoveel uit. Het is zelfs leuk om het huisje op ooghoogte te hangen, dan kun je af en toe even naar binnen gluren. Het is voor vlinders wel heel fijn als het huisje in de buurt hangt van planten, bloemen en struiken zoals een vlinderstruik, lavendel, meidoorn of braam. Zo zorg jij voor meer vlindervriendjes in de buurt, kunnen de vlinders lekker eten en raken ze nooit de weg naar huis kwijt.

Over de bewoners...
Vlinders hebben de warmte van de zon nodig om te kunnen vliegen. Daarom zit een vlinder vaak met z’n vleugels open te zonnen. Als hij dan lekker is opgewarmd, stijgt ‘ie op en fladdert rond op zoek naar voedsel. De meeste vlinders eten nectar, dat is het stroperige goedje wat in bloemen zit.

Vlinders vallen op door hun prachtig gekleurde vleugels, maar daar worden ze niet mee geboren. In het voorjaar leggen vlinders honderden eitjes. Uit die eitjes kruipen rupsen. De rupsen eten zich helemaal rond en dik aan blaadjes, Als ze vol zitten, spinnen ze op een rustig plekje een soort slaapzak om zichzelf heen, een pop. Na een tijdje kruipen ze daar als een echte vlinder weer uit. Bijzonder hè?

In de winter houden veel vlinders een winterslaap. Net als wanneer ze schuilen in de zomer, hangen ze dan graag aan een tak of een blad. Ze zijn dus heel blij als jij een paar takjes schuin in het huisje zet, zodat ze lekker warm en droog kunnen luieren.

Voer vogels het hele jaar door!

Jouw tuin of balkon is een groen paradijsje voor vogels. Ze kunnen hier wonen, even uitrusten en lekker eten. Maar voor veel van je vogelvriendjes is voedsel steeds moeilijker te vinden en sommige vogels blijven daardoor zelfs helemaal weg!

Vroeger leken tuinen meer op heuse restaurantjes voor vogels omdat veel mensen naast planten en bomen ook groenten lieten groeien, waar vogels sappige wormen, rupsen en andere lekkernijen uit konden pikken. Nu is dat anders. Daarom is het fijn als jij de vogels helpt eten te vinden door ze het hele jaar lang een beetje bij te voeren.

Weetje
Wist je dat zelfs in de kleinste vogelvriendelijke tuin het hele jaar door wel 20 verschillende soorten vogels op bezoek komen!

Vroeger was het beter

Als je het aan de oudere vogels zou vragen, zouden ze je vertellen dat vroeger alles beter was. En ze hebben gelijk! Veel vogels vinden nu niet altijd meer voldoende voedsel voor zichzelf en hun jongen. Maar hoe komt dat eigenlijk zo?

Om te beginnen zijn er nu veel meer huizen en flats dan vroeger. Dat betekent ook dat er minder plek is voor ruime tuinen en dat veel meer mensen een knus balkon hebben in plaats van een vrolijke tuin. Bovendien zijn tuinen nu anders ingericht dan vroeger.

Vooral in steden en dorpen lijken de meeste tuinen als twee druppels water op elkaar. Ze zijn allemaal heel netjes, het gras is mooi kort er staan dezelfde soorten struiken en planten in. Afwijkende planten en onkruid worden snel gewied. Doornhagen, bessenstruiken en andere planten worden niet meer zoveel geplant omdat je jezelf daaraan kunt bezeren en de besjes ervan vaak giftig zijn voor mensen.

Maar vogels houden helemaal niet van hele nette tuinen en zoeken juist beschutte plekjes zoals een doornhaag en kunnen juist wél veilig eten van die bessenstruiken.

Daarnaast vind je minder groenten en fruit in de tuin dan vroeger en worden de insecten die daarvan leven op de meeste plaatsen met allerlei middeltjes bestreden. En omdat het klimaat verandert, zijn de eetbare zaden eerder rijp en de meeste rupsen alweer verdwenen voordat jonge vogels uit hun eieren zijn gekropen. Dan is het eten dus op.

Weetje
Een vogel eet nooit meer voedsel dan dat ‘ie nodig heeft en wordt ook nooit afhankelijk van wat je ze bijvoert.

Weetje
Als er minder insecten en wormen zijn eten volwassen vogels zelf zaden, bessen en vruchten. Ze geven de wormen en insecten aan hun jongen.

Jonkies krijgen babyvoeding

De meeste vogels, ook vogels die eigenlijk alleen maar zaden eten, voeren hun jongen in het begin uitsluitend met insecten, maden en rupsen. Zelfs wanneer er snacks in de buurt zijn, zoals vetbollen en pinda’s, eten alleen vader en moeder vogel hiervan om aan te sterken en met een volle maag op zoek te kunnen gaan naar een sappige rups voor hun kleintjes.

Opvoeden vergt veel energie

Het grootbrengen van de jonkies is erg vermoeiend en kost veel kracht van pa en ma. Neem het gekraagde roodstaartje, die vliegen tijdens het grootbrengen van hun jongen wel 300 keer per dag op en neer naar hun nest om hun jongen te voeren. En dan te bedenken dat ze daarvoor al uit Afrika naar hier zijn komen vliegen, omdat ze daar elk jaar overwinteren. Als je daar geen honger van krijgt...

Als er in het territorium van een ouderpaar niet genoeg voedsel te vinden is, kunnen ze zichzelf en hun kinderen niet verzorgen. De vogels raken dan verzwakt, worden ziek of gaan soms zelfs dood. Vooral mussen, klauwieren en gekraagde roodstaartjes zie je daardoor steeds minder in de tuin.

Weetje
Een pimpelmees weegt maar 11 gram (da’s evenveel als drie theelepeltjes suiker), maar eet wel meer dan 100 insecten per dag!

Leer en geniet van de natuur

Veel mensen genieten graag van de natuur, maar letten eigenlijk niet op de pracht in en om hun eigen tuin of balkon. Jammer, want zelfs in een kleine tuin kun je het hele jaar door wel 20 verschillende soorten vogels zien.

Of je nou 8 of 80 bent, het is fantastisch om naar vogels te kijken, te luisteren en te ontdekken hoe ze hun nestjes bouwen en jongen grootbrengen. Door bezig te zijn in de tuin, leer je een boel over de natuur en geniet je meer van al het kleine leven om je heen. Door de vogels in je omgeving bij te voeren, heb je ze vaker in de buurt en snap je ook beter waarom het zo belangrijk is om ze een beetje te verzorgen.

Maak van je tuin een vogelparadijs

In de winter is er maar een klein deel van alle vogels te zien die hier graag komen. Het grootste deel is in de winter op vakantie naar een warmer land dan Nederland. Maar in april komen alle vogels trouw terug om jouw tuin of balkon te bezoeken.

Als je in de tuin of op je balkon een vogelhuisje ophangt, een drinkplekje maakt en ze bijvoert, zodat ze lekker kunnen eten, zullen alle vogels zich weer gezellig laten zien en horen in jouw paradijsje. Natuurlijk helpen PLONK en Vitakraft je hier graag bij met mooie huisjes en het beste voer!

Weetje
Winterkoninkjes zijn een van de weinige vogelsoorten die hun nestje ook als warme slaapplaats gebruiken buiten de broedtijd.